• Léon Stynen, Cinema Rex, 1934. Collectie Vlaams Architectuurinstituut

Meer over Léon Stynen (1899-1990)

In hun monografie over Stynen uit 1990 schreven Geert Bekaert en Ronny De Meyer: “Zelden heeft een Belgisch architect een bekendheid genoten als die van Stynen. Hij was een nationale figuur die zich liet fotograferen aan de zijde van de koning. Hij stond aan het hoofd van het door hem opgerichte Nationaal Hoger Instituut voor Architectuur en Stedebouw te Antwerpen en van het Nationaal Hoger Instituut voor Bouwkunst en Sierkunst in Terkameren [sic] te Brussel, was voorzitter van de Nationale Orde van Architecten en bij leven reeds, zoals F. Kemps het uitdrukte, de kunstgeschiedenis ingetreden…” En verder: “Hij heeft consequent zijn eigen spoor getrokken, daarin door niemand geëvenaard.”

Meer dan vijftig jaar lang was Stynen uitdrukkelijk aanwezig op verschillende fronten: als architect, stedenbouwkundige en designer, als docent, schooldirecteur en onderwijshervormer, als prominent lid en bezieler van architectenverenigingen, culturele organisaties en belangengroeperingen, als beleidsmedewerker en zelfs als politicus. Hij was over het hele land actief, van de kust tot in Wallonië, met een grote voorliefde voor zijn geboortestad Antwerpen. Hij was thuis in vele bouwprogramma’s, leverde kwaliteitsvolle ontwerpen af en was verantwoordelijk voor enkele sleutelwerken van het Belgisch modernisme. Zijn werk was ook steeds modern en een weerspiegeling van de internationale ontwikkelingen in de architectuur. In sommige gevallen kan hij als een pionier bestempeld worden.

Stynen groeide op in een artistiek burgermilieu in Antwerpen en studeerde architectuur aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van zijn geboortestad. Hij startte zijn architectenpraktijk met enkele wedstrijdontwerpen en een reeks cottages en art-decowoningen, -winkelhuizen en -appartementsgebouwen in Antwerpen, Brussel en Knokke. Na deze korte art-decoperiode verdiepte Stynen zich in de ideeën en de realisaties van de avant-garde en trachtte die in de Belgische context te verwezenlijken. Hij putte bij de realisatie van zijn indrukwekkende lijst opdrachten voor woningen, appartementsgebouwen, cinema’s, casino’s, scholen, rustoorden en kantoorgebouwen rijkelijk uit het jargon van het ‘nieuwe bouwen’. Nog bestaande hoogtepunten zijn onder meer de eigen woning in Antwerpen (1932), de Elsdonckresidentie in Wilrijk (1933-1934) en het rustoord Hof Ten Bos in Brasschaat (1937).

Na de Tweede Wereldoorlog nam het aantal opdrachten nog toe, zodat versterking aangewezen was. Samen met Paul De Meyer bouwde Stynen het architectenbureau uit tot een van de belangrijkste spelers in het veld. Schaalvergroting en professionalisering waren aan de orde. De nadruk lag, zeker bij de grote werken, op rationaliteit, rigoureuze maatvoering en zorg voor een bouwfysisch volmaakte uitvoering en afwerking. In Oostende bouwden ze het casino (1948 e.v.), waar ze het modernisme met klassieke elementen een mondaine allure trachtten te geven. Het sociale huisvestingscomplex Heuvelhof in Kessel-Lo (vanaf begin jaren 1950), het flatgebouw De Zonnewijzer in Antwerpen (1955) en de Sint-Ritakerk in Harelbeke (1961) zijn voorbeelden van een verfijnd brutalisme, bedoeld als hommage aan Le Corbusier. Spraakmakend was de BP-toren in Antwerpen, opgetrokken met vernieuwende constructietechnieken (1959 e.v.). Het Muziekconservatorium annex Kunstencentrum deSingel in Antwerpen (1960 e.v.) ontwerpt hij in een meer expressieve architectuur.

Intussen hertekende hij met de oprichting van het Hoger Instituut voor Bouwkunst en Stedebouw het architectuuronderwijs aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen (1946-1950) en beïnvloedde hij als directeur van het Hoger Instituut voor de Sierkunsten Ter Kameren / Institut supérieur des Arts décoratifs de La Cambre (1950-1965) generaties kunstenaars en architecten. Als lid van nationale en internationale organisaties als Société Belge des Urbanistes et Architectes Modernes en Congrès Internationaux d’Architecture Moderne was hij een belangrijk promotor van de moderne architectuur. In verschillende architectenverenigingen en als voorzitter van de Orde van Architecten was hij de woordvoerder van zijn generatiegenoten en verdedigde hij met verve de belangen en rechten van de architect. Grote interesse toonde hij ook voor de beeldende en toegepaste kunsten.

[Tekst van Dirk Laureys, Architectuurarchief Vlaanderen]

Lees of bekijk